Startpagina
 
Terug
 
 
Een heel oud instrument
De oorsprong van de hoorn - het woord zegt het al - ligt waarschijnlijk op het hoofd van menig dier; zijn hoorns. Waarschijnlijk is 'spelenderwijs' uit een stuk hoorn een blaasinstrument geworden.

De oorsprong van een door mensen gemaakte hoorn ligt waarschijnlijk aan de Indus of bij de Assyriërs. Daar werden toeter- en slakhuisvormige blaasinstrumenten gevonden uit de tijd van 2000 tot 1500 jaar voor Christus geboorte die gebruikt werden in hun religie. Ook in het graf van Toetanchamon werden twee rechte hoorns - in het oud-Egyptisch een 'snb' - gevonden.

In de 7de eeuw vóór Christus kwamen deze hoorns met de Etrusken mee vanuit Klein-Azië naar Italië, waar deze Etrusken in de buurt van het huidige Rome gingen wonen. De Etruskische hoorns waren halfrond van vorm en (ook) uit terracotta gemaakt. Ook de Romeinen maakten nog slakkenhuisvormige ceramische hoorns. Beide vormen - rond en halfrond - doorstonden de eeuwen en werden later in metaal uitgevoerd.

De eerste beschrijving van een hoorn als jachtinstrument levert ons Xenophon, een Griek die ruim 4 eeuwen voor Christus geboorte leefde en schreef. De Grieken kenden de Salpinx, een toeterachtig instrument dat zij ook in hun legers gebruikten. 

De Romeinen bliezen op hun eigen hoorns - de cornu, de tubae, de cornua, de lituus en het meest imposant de buccina - de aanval, de aftocht en ook 'de soep' zoals we in de verhalen van Asterix&Obelix zien. Zij lieten met hoornsignalen hun legers bewegingen uitvoeren; net als dat later in de jacht gebeurde.
Parallel aan de buccina is in de bronstijd bij Oud-Germaanse stammen de bronzen lure ontstaan.  Bij veenafgravingen kwamen goed behouden exemplaren - die in graven waren bijgelegd - aan het licht. Ze waren van zeer dun brons, verliepen conisch en waren samengesteld uit meerdere delen. En met een mondstuk erop dat veel lijkt op dat van de huidige trombone.

                                       


De Olifant van Karel de Grote
Bekend uit de historie is de hoorn van Roeland, een neef en vazal van Karel de Grote. Zijn hoorn was een zogenaamde 'Olifant'. Laat zich raden welk dier hem leverde. Bij de slag van Roncevalles in 778 sloeg Roeland met zijn hoorn van zich af en doodde hij er de belager mee die zijn zwaard Durendal wilde bemachtigen.
Ook Karel de Grote had zijn 'Olifant'. Dei kreeg hij - zegt men - van de Kalief Harun-al Rashid. Maar deze mooie met ranken en dieren gesneden hoorn wordt rond het jaar 1000 gedateerd en komt uit Italië. In de schatkamer van Dom van Aken kunt u deze hoorn ‘van Karel’ gaan bewonderen. Trouwens ook in de schatkamer van de Sint Servaas in Maastricht zijn ook mooie exemplaren te zien.

Runderhoorns leverden waarschijnlijk ook en bijdrage aan de basisvorm voor de latere kleine kromme hoorn.
Zelfs vandaag de dag zijn deze 'primitieve' hoorns nog her en der in de wereld in gebruik. Zo wordt in het joodse geloof op een ramshoorn - de sjofar - geblazen.

Daarnaast zijn er houten hoorns zoals de midwinterhoorn die in onze Achterhoek wordt geblazen in de weken voor de Kerst. Ook dit is een hoorn van voorchristelijke oorsprong. Ook in de Alpen zijn de Alpenhoorns van hout en geven een nog warmere klank dan de koperen jachthoorns. 
In Scandinavië kom je nu nog de eigentijdse lure tegen. In India is er de 'Ranasringa' die verdraaid veel lijkt op de Scandinavische lure.
In Tibet is er de 'Rang-dung' (telescopisch!) die in de kloosters wordt geblazen. En in Australië blazen de Aboriginals op hun 'didjereedoo'.

De hoorn was lange tijd een instrument van de koninklijke jacht; want alleen de adel mocht jagen. Vanuit hoornen, ivoren en houten hoorns ontstond later - we hebben het over de 12de en 13de eeuw - weer de eerste metalen hoorn. Naar alle waarschijnlijkheid hebben ook de Moorse 
hoorns - eigenlijk Afrikaanse hoorns uit een slagtand van de olifant - daarvoor model gestaan.

                                           


Een signaalinstrument
De hoorns waren in het begin vooral signaalhoorns. Gebruikt werden ze om signalen tijdens veldtochten door te geven. Of om hoogwaardigheidsbekleders aan te kondigen. Van het geluid moet u zich nog niets voorstellen. Het was nog rauw en onbeschaafd en klonk nog niet als muziek in de oren. Veelal ging het om signalen met (maar) één toon die als een soort 'Morsecode' waren samengesteld. Combinaties van korte en lange stoten in dezelfde toon vormden een signaal.

Daarover lezen we in de boeken van Koning Modus, die in 1375 de jachtafloop beschrijft met 5 signalen in 'Morsecode'. Gaston Phoebus - de graaf van Foix (1331 -1391) - heeft in zijn boek 'Le livre de la Chasse' met fraaie prenten uit 1388 al 7 signalen opgetekend.
Hardouin de Fontaines-Guerin beschrijft in 1394 in zijn 'Tresor de Venerie' in 14 verschillende signalen de jachtafloop.

Bij Jacques de Fouilloux - we praten dan over de jaren vanaf 1550 - komen we de eerste metalen hoorn met een hele ronding tegen. Die was sinds de Romeinen niet meer gemaakt, omdat we niet (meer) wisten hoe je zo een ronding met metaal moest maken.

Marin Mersenne (1588 - 1648), een Parijse pater en theoloog, ontdekt de natuurtonen en beschrijft in 1627 in zijn 'L'harmonie universelle' de mogelijkheid om goed klinkende akkoorden te maken. Vooropgesteld dat de juiste hoorn met de juiste toonhoogte voorhanden is. En dat lukt met de nieuw ontdekte kennis om weer hoorns met een of meer windingen te maken.
Mersenne was wiskundige, theoloog, filosoof en wetenschapper en speelde een belangrijke rol in de verspreiding van de wiskundige en wetenschappelijke kennis. Tot zijn eigen wiskundige resultaten behoort het bedenken van de naar hem genoemde Mersenne-priemgetallen.

                                           


De trompe de chasse
Al spelend en 'bijschavend' aan de hoorn wordt die langer, het geluid wordt beter en er komt  op den duur een (natuurlijke) toonladder uit. In Frankrijk aan het hof van de gepassioneerd jagende Lodewijken in Versailles (in de 17de en 18de eeuw) komt de hoorn tot volle bloei; eerst bij de jacht en later ook in de muzieksalons.
In 1685 bouwt Raoux de eerste geheel ronde hoorn: een met anderhalve winding. De trompe de chasse is langs die weg ontstaan; een hoorn voor de toen normale parforce-jacht. Dat is het achtervolgen van grof wild met een meute jachthonden tot het wild niet meer verder kan en afgemaakt kan worden; het halali.


In 1729 bouwt Charles Lebrun de eerste hoorn met twee-en-een-halve winding. Dit ter gelegenheid van de geboorte van de Dauphin (de Franse kroonprins). Ook daardoor werd de hoorn een steeds beter klinkend instrument. Tegelijkertijd worden ook pronkvollere hoorns gebouwd.

De Lodewijken XIV en XV zorgden voor de jachtsignalen van tegenwoordig toen zij markies Marc-Antoine de Dampierre opdracht gaven de bekende jachtsignalen op noten te zetten. Tussen 1710 en 1725 schreef hij die op en componeerde nog een aantal fanfares. Fanfares de circonstances (voor een bepaald moment in de jachtafloop) en aan personen, gebeurtenissen of dieren gekoppelde fanfares. Die toen genoteerde signalen bestaan nu nog steeds. Op de fanfare 'Le passage du Chemin de Fer' na; die is van 1898.

Door de Franse Revolutie verdwijnt de adel grotendeels en trekt ze van het land naar de stad. Ook hun blazers trekken mee naar de stad waardoor de hoorn als 'gewoon' muziekinstrument opkomt op feesten en later in concertzalen.
In het begin van de 20ste eeuw begint de revival van de trompe de chasse in de jacht. In 1928 ontstaat de Belgische en Franse Jachthoornfederatie die in 1965 overgaat in de FITF.

1831 is het geboortejaar van de trompe met drie-en-eenhalve winding: de 'Trompe d'Orleans'. De naam krijgt hij dankzij de Hertog van Orleans, de zoon van koning Louis-Philippe, die deze hoorns bestelt vanwege de reorganisatie van de koninklijke jacht. Dat men overstapt naar drie-en-eenhalve winding, hangt ook samen met de mode van de jager te paard. De hoed werd vervangen door de Engelse 'ruitercap', waardoor de 'hoepel' een kleinere doorsnee kon hebben. Bijkomend voordeel was dat de hoorn beter om de schouder bleef zitten tijdens de rit te paard.
De 'Orleans' of 'Perinet' is vandaag de dag het meest bespeelde model in de Franse traditie. De Perinet is alleen qua doorsnee van de 'hoepel' anders dan de 'Orleans'. 

De trompe de Lorraine
In het boek 'Das Jagdhorn' van Werner Flachs kwam ik nog een andere hoorn tegen: de Trompe de Lorraine; gestemd in D. Ziet er qua vorm uit alsof het een hoorn van een koe is, maar onder de leren buitenkant loopt een buis vanaf het mondstuk heen en weer. De buis loopt van het mondstuk om de kelk heen naar voren en weer terug richting mondstuk waar de buis op de kelk aangesloten is.

De hoorn in de muziek
De opname van de hoorn in de orkestmuziek gebeurt waarschijnlijk in Bohemen en wel door de inzet van de uit Neder-Sachsen stammende Franz Anton Reichsgraf von Sporck (1662 - 1738). Hij had de trompe de chasse leren kennen in Versailles toen hij daar verbleef in het kader van zijn 'opleiding'. Hij was zo enthousiast dat hij later twee bedienden - Wenzel Sweda en Peter Rollig - in 1682 naar Versailles stuurde om ze daar tot blazer te laten opleiden. Teruggekomen in Bohemen gaven zij hun kennis door. Door Von Sprocks cultivering van jachtpartijen te paard met hoornmuziek werd hij de trekker van een nieuwe trend. En Bohemen bleef tot het einde van de 18de eeuw het Mekka van de hoornisten. Ook veel parforcehoornbouwers zaten en zitten daar nog vlakbij.

Over Von Sporck nog dit detail. Toeval of niet, zijn vader die hem de rijkdom bezorgde om dit alles te doen, is geboren in Delbrück. Dat is weer in de buurt van Paderborn op een steenworp afstand van de plaats waar de Jachthoornblazers Sint Hubertus al meer dan een kwarteeuw de Hubertusmis blazen; in Dalheim / Lichtenau.
Von Sporcks vader was een boerenjongen die in de Dertigjarige oorlog naam en faam vergaarde en als beloning van de Oostenrijkse keizer (Von Sporck sr 'zwaaide af' als bevelhebber van de cavalerie) een erfbare titel en landgoederen in Bohemen kreeg. Hij had immers in Oostenrijkse dienst de Turken verslagen.

                                           


De parforcehoorn

Via de Franz Anton von Sporck kwam de trompe de chasse in het Duitse taalgebied. In Bohemen en Wenen bouwden bijvoorbeeld de gebroeders Leichamschneider verder aan de hoorn en kwam er de stempijp bij. Door een iets andere bouw, een bredere buis en een langere kelk kreeg de hoorn een 'ronder' en 'warmer' geluid. Langs deze weg ontstond de Duitse traditie van het hoorn blazen. Weliswaar een natuurhoorn, maar met een volstrekt ander geluid dan de Franse trompe de chasse.

Andere fameuze hoornbouwers in die tijd zijn Eichentopf, Ehe en Haas. De Dresderner Anton Hampel kwam op het idee om de toon te beïnvloeden door de hand in de kelk te steken: het 'stoppen'. Deze Anton Hampel bouwde samen met de hoornbouwer Johann Werner de eerste 'inventionshoorn'. Door kortere of  langere stukken buis aan een bestaande hoorn toe te voegen, konden ze zo de lengte van de buis en zo de toonhoogte bepalen.


De uitvinding van ventielen is de volgende belangrijke stap in de verdere ontwikkeling van de hoorn. Op 12 april 1818 krijgen Heinrich Stölzel en Friedrich Blü(h)mel het patent op de uitvinding van het pistonventiel van het 'Koninklijk Pruisische Patentamt'. Een, drie of vier ventielen - zoals op de Franse hoorn - kwamen op de hoorn. En rond 1832 vindt de Wener Joseph Riedl of de heer Kruspe het draaiventiel uit.

Ook de Duitse traditie kende zijn ups en downs. De Oostenrijkse keizer Karl VI die bij Von Sporck de hoorn leerde kennen, organiseerde zijn eigen 'Hofmuziek' in het Lainzer Jacht- en Wildpark. Bij gelegenheid van het 25-jarig huwelijk van keizer Franz Jozef en zijn Elisabeth (Sissi) componeerde Joseph Schantl een aantal fanfares die op de optochtroute door 200 000 mensen werden gehoord en gewaardeerd. Als gevolg daarvan ontstond de 'K.u.K. Hofjagdmusik im Tiergarten nächst Lainz', die later de 'Lainzer Jagdmusik' ging heten en overging in de 'Wiener Waldhornverein'. 

Door Eerste Wereldoorlog ging veel verloren. Blazers waren omgekomen op de slagvelden; armoede en honger waren de bepalende thema's in plaats van jachthoornmuziek. Onder invloed van de Duitsers in Oostenrijk werd de muzikale parforcehoorn door de meer militaire Plesshoorn verdrongen. 

Voor de Tweede Wereldoorlog bevorderde Hermann Göring als Reichsjägermeister het gebruik van de Plesshoorn. Hij stelde ook het blazen van signalen verplicht. De Tweede Wereldoorlog zelf betekende weer een teruggang in het jachthoorn blazen.
Na de oorlog duurde het weer een hele tijd voordat de hoorn uit de kast kwam en er weer voor het plezier en/of tijdens de jacht geblazen werd. In Wenen was het pas in 1954 dat er weer voor het eerst een concert gehouden werd met jachthoornmuziek.
In de vijftiger jaren komen ook de Plessgroepen in Oostenrijk en beide Duitslanden op. Met de wedstrijden ontstaat er weer meer ambitie en krijgt ook de kleine parforcehoorn in B zijn kans.

In 1968 geeft de DJV een notenboekje uit met de jachtsignalen voor Pless- en parforcehoorns. Reinhold Stief voegde daar sinds 1972 nog negen notenboekjes voor Pless- en parforcehoorn in B en Es aan toe. Daardoor is een standaardisering wel geslaagd.
Het enkele ventiel op de parforcehoorn is er in 1962 bij gekomen. Hermann Neuhaus vulde de parforcehoorn aan met dit draai- of cilinderventiel waardoor de toonladders van B (zonder gebruik van het ventiel) en Es (met gebruik) gespeeld kunnen worden op een-en-dezelfde hoorn. Daardoor werd het spelen van meer gesofistikeerde muziekstukken op de parforcehoorn mogelijk. Zeker als er in meerdere stemmen samen gespeeld wordt.

                                           

Halve maan hoorn
De jagerregimenten gebruikten vroeger nog geen ronde hoorn, maar een zogenaamde ‘halve maan hoorn’.
De jagerregimenten hadden andere taken dan de linieregimenten. De jagers werkten daarom in kleine groepjes of alleen en de linieregimenten - zoals de naam zegt - in rijen of in aaneengesloten formaties. De commandolijnen waren bij de jagers langer en daarbij was een korte hoorn - toch nog 1,3 meter lang - een goed communicatiemiddel.
Later werd die halve maan hoorn ‘opgerold’ en ontstond de even lange, maar meer handzame Fürst Plesshoorn.
Op de foto de hoorn in het Nationaal Militair Museum.

Zo een halve maan hoorn bespeelden ook de muzikanten bij de Limburgse Jagers. Dat begon met een groep bij het 16de bataljon in Oirschot, werd afgeschaft en eind zestiger jaren bij het 42ste in Seedorf weer opgepakt, tegelijk met de dienstplicht opnieuw afgeschaft, en in 2015 weer in ere hersteld bij de National Taptoe.




Actueel is dit type hoorn - onder de naam Sauerländer Halbmond - vooral in gebruik in de Duitse brackenjacht.
                                                  
                                       

De Plesshoorn
Hertog Hans Heinrich de XIde (1833 - 1907) sinds 1850 Fürst von Pless en Opperjachtmeester van de Duitse keizers Wilhelm I en II stond aan de wieg van de kleinere hoorn die nu nog zijn naam draagt: de Plesshoorn.
De halve maan hoorn was bij de infanterie een normaal signaalinstrument. Je ziet dat type hoorn daarom ook in veel emblemen van de infanterie en jagers terug. Vanuit het leger via de keizerlijke jacht vond de veel handiger Plesshoorn zijn weg naar de gewone jager. De Plesshoorn is handzamer en goedkoper dan de parforcehoorn en de halve maan hoorn. Het aantal mogelijke tonen is beperkt (Pless veelal 6 tonen, bij de parforcehoorn rond de 16), wat het leren bespelen van een Plesshoorn weer eenvoudiger maakte. Ook was de parforcehoorn toch eigenlijk een 'Frans' instrument; een negatief sentiment dat ook bijdroeg aan de opkomst van de Plesshoorn.
Pless (Pszcyna) ligt in het zuiden van Polen bij Katowice.

Pless was ook degene die de ‘Duitse’ jachtsignalen uniformeerde. Veel signalen waren militaire signalen die een-op-een of met een kleine aanpassing voor de jacht werden overgenomen en daarbij een andere titel kregen.
Samen met J. Rosner componeerde Pless ook de eerste signalen ter ere van het gedode wild. Later zorgden Walter Fevert en Carl Clewing voor instructies voor het gebruik bij de jacht respectievelijk nieuwe signalen zoals ‘Muffel tod’.

Het Clewingsche of Taschenjagdhorn
Wie de Plesshoorn nog te groot vindt, kan kiezen voor een nog kleiner model; het Taschenjagdhorn in B met zes-en-een-halve winding. Het werd door Clewing voor de Tweede Wereldoorlog ontwikkeld. Leuk voor de jacht, maar nagenoeg onbruikbaar voor muziek, tenzij je veel embouchure hebt of er een groter mondstuk op zet.

Volpersdorfer Jagdhorn
In de vakliteratuur kom je voor de opkomst van de Plesshoorn nog het Volpersdorfer Jagdhorn tegen. Gestemd in B en het lijkt sprekend op een militaire signaalhoorn - de bugle.

Meyersche Jagdhorn
Met een knipoog naar de geschiedenis is in samenhang met de Tweede Wereldoorlog nog een heel andere type 'jachthoorn' te melden. Ook met een Duitse oorsprong; het zogenaamde Meyersche Jagdhorn.


                                                 

                                       
Bij de jacht
De parforcehoorn, de Plesshoorn en het Taschenjagdhorn worden nu gebruikt om mee te communiceren tijdens een jachtdag (de aanvang van de drift, einde schieten, drijvers verzamelen en het halalli).
Is er succesvol gejaagd, dan is de hoorn in gebruik bij het tableau om de dood-signalen te blazen. Tijdens zo een jachtdag wordt de hoorn ook gebruik om elkaar te begroeten, ermee 'zum Essen' geblazen en bij het afscheid.
Daarnaast zijn er nog de vele fanfares en muziekstukken, gewoon voor de eigen lol geblazen, in competitie of voor een aandachtig publiek. En niet te vergeten de Hubertusmis in vele varianten.

In de muzieksalons
Door Von Sporck begon de hoorn zijn opmars in de muziek in Bohemen; de jachthoorn kreeg een plaats naast de violen en andere strijk-, slag- en blaasinstrumenten. Als instrument van de adel met een zweem van ridderlijkheid, natuur en landleven, werd het gemakkelijk geaccepteerd. Componisten als Bach - een kennis van Von Sporck - Karl-Maria von Weber, Bruckner, Mahler, Monteverdi, Leopold Mozart, Jean Joseph Mouret, Händel, Theleman, Brahms, Schumann maakten de opmars van de jachthoorn rond in de 17de en 18de eeuw. 
Ook Wagner hielp mee met zijn ‘Siegfriedruf’ in de Nibelungen. En er zullen beslist nog veel meer zijn geweest die bijdroegen aan deze opmars.

 

De geschiedenis van de jachthoorn

De jachthoorn heeft een lange geschiedenis als instrument. Eerst was het vooral een signaalinstrument met maar één toon. Signalen bestonden toen alleen uit lange en korte stoten.

In de tijd van Karel de Grote krijgt de jachthoorn een plaats in de adellijke jacht in West-Europa. De jachthoorn ‘groeit’ ook verder: hij wordt langer, waardoor er meer tonen uit kunnen komen. En de signalen ook uit meerdere tonen kunnen bestaan.
 
Na de overstap van natuurhoorns naar gefabriceerde, metalen hoorns in West-Europa ontstaat in Frankrijk eerst de trompe de chasse. Weer later gaat de jachthoorn uiteen in een Franse en een Duitse traditie; de ontwikkeling van de parforcehoorn. Binnen deze Duitse traditie heeft de Plesshoorn een geheel eigen plaats verworven.

De alpenhoorn is ook een hoorn, maar dan van hout. Met een uitstapje in de hoornmuziek, sluiten we deze pagina af.

De TapTröät is een verdere Limburgse ontwikkeling van de jachthoorn in 2012.


Meer over:
De techniek

De heraldiek

De Duitse traditie

De alpenhoorn

De TapTroat